Alle 13 resultaten

GEVELREINIGING

Reiniging en bescherming van gevels gebeurt over het algemeen omwille van de levensduurverlenging van het bouwwerk en om esthetische redenen. Nieuwe gevels worden gereinigd voordat het gebouw wordt opgeleverd. Oudere gevels omdat vervuiling, zoutuitbloeiingen, alg- en mosgroei en dergelijke tot schade hebben geleid of gaan leiden. Uit een onderzoek van Prof. Ir. P.C. Krijger is gebleken dat van bekende bouwschadegevallen 40% vocht als oorzaak heeft. Het tegengaan van vocht in de gevelconstructie, bijvoorbeeld hydrofobering, behoort tot 1 van de belangrijkste beschermingsmethoden.

Arka Hoogeveen biedt een compleet assortiment voor gevelreiniging.  De meest voorkomende vervuilingen zijn: atmosferische en industriële aanslag, lek strepen van rubber of kit (beglazing, montage, afdichting), lek strepen van oxiderend metaal (daktrim e.d.), biologische aanslag/groei, algen, mossen (groene aanslag), schimmels (zwarte aanslag), uitwerpselen van insecten en vogels, uitbloei van zouten (diverse soorten) en cementsluier. Verder nog combinaties van deze vervuilingen.

GEVELONDERGRONDEN

In gevels worden de meest uiteenlopende materialen toegepast. De verscheidenheid van deze materialen is groot en meestal van minerale oorsprong, zoals:

Baksteen, diverse soorten en kwaliteiten. Natuursteen, zoals zandsteen, mergel, kalksteen, blauwe hardsteen, marmer travertin en kunststeen waarin natuursteen is verwerkt. Beton, betonsteen en (sier)pleisterlagen op basis van cement. Sierpleister, gemodificeerd en kunsthars. Kalkzandsteen en gasbeton.

VOCHT & REGEN

Zuidelijk of westelijk georiënteerde gevels staan theoretisch bloot aan gemiddeld 40-50 liter regenwater per m2 per jaar. Slagregens veroorzaken een sterke benatting van de gevels, maar hebben ook een sterker reinigend effect. Regen en stromend water kunnen schade aanrichten aan gevelmateriaal, door zowel erosie al door zwelling van het bindmiddel. Materialen die in een gevel worden verwerkt zijn allemaal meer of minder poreus. Wanneer in het water ook nog zuurvormende gassen of zouten aanwezig zijn, hetgeen in industrielanden normaal is. kan bovendien het bindmiddel geleidelijk worden opgelost. Daardoor verliest het gevelmateriaal aan sterkte en wordt het gevoeliger voor diverse andere aantastingsvormen. Regenwater heeft tegenwoordig een zuurgraad (pH) van circa 4,2.

UITBLOEI 

Door een langdurige overmatige doordrenking van het gevelmateriaal, door optrekkend vocht of regen, kunnen zouten uit de bouwmaterialen worden opgelost. Ook kunnen in het binnengedrongen vocht reeds zouten, afkomstig van buitenaf, aanwezig zijn. Vocht en zouten verplaatsen zich, het vocht verdampt en de zouten kristalliseren weer uit. Deze zijn hygroscopisch en trekken weer vocht aan. Als deze zouten op het gevelmateriaal kristalliseren, dan spreken we van muuruitslag of uitbloeiingen, dikwijls wit en meestal niet direct gevaarlijk voor de constructie, maar esthetisch ongewenst.

Uitbloeiingen worden heel vaak als salpeter aangeduid. Dit is echter onjuist. Salpeter (calciumnitraat) ontstaat door oxyadatie van organische bestanddelen, vooral faecaliën, en reacties met de kalk van de mortels. Salpeteruitbloeiingen komen vrijwel alleen in agrarisch gebied voor.

Kristalliseren de zouten uit in de poriën dicht onder het oppervlak, dan wordt door de volumieke expansiekracht, bij de kristalvorming, het gevelmateriaal verbrijzeld of er worden stukjes afgedrukt. Deze processenkunnen bij alle poreuze steenachtige materialen voorkomen.

BELANGRIJKSTE ZOUTEN VOOR BAKSTEEN

Sulfaten: magnesium-, natrium-, calciumsulfaat. Magnesiumsulfaat leidt in grote hoeveelheden tot sterke verwering.

Carbonaten: calcium-, natriumcarbonaat. Beiden kunnen door zwaveldioxidegas uit de lucht worden omgezet in sulfaten.

Chloriden: natriumchloride. Natriumchloride is sterk wateraantrekkend. Het evenwichtsvochtgehalte van een baksteenmuur bij een relatieve luchtvochtigheid van 90% ligt bij 4 tot 6 %. Door de aanwezigheid van natriumchloride kan dit echter stijgen tot 10 tot 15 %. Hierdoor neemt de kans op vorstschade toe.

Bij enkele zouten kunnen nog extra effecten optreden, bijvoorbeeld ettringletvorming door calciumsulfaat en C3A (tricalciumaluminaat) uit beton of metselmortel. Dit gaat gepaard met volumetoename evenals bij gipsvorming door natriumsulfaat en calciumhydroscide uit mortel of beton. Deze volumetoename kan ernstige schade aan de gevel veroorzaken.

Niet tot de eigenlijke uitbloeiingen behoren de kleurige stoffen die alleen tijdelijk oplosbaar zijn. Bekend zijn de geel-, groen-, tot olijfkleurige kleuren die slaan op oplosbare vanadium-, chroom- of molybdeenverbindingen, alsmede ijzerverbindingen, die een roestachtige kleur hebben.

BELANG VAN DROGE MUUR

Een droge muur heeft veel voordelen. Betere isolatiewaarde, minder aanhechting van vuil en voorkomen van het kapotvriezen van steen en voeg. Hoe neem je vochtbronnen weg? Kijk naar lekkende goten, open voegen, waterslagen en poreus bouwmateriaal (na reinigen).

INVLOEDEN VAN VERVUILING

De meest voorkomende vervuilingen zijn:

  • Atmosferische/industriële aanslag
  • Lekstrepen van rubber of kit (beglazing, montage, afdichting)
  • Lekstrepen van oxiderend metaal (daktrim e.d.)
  • Biologische aanslag/groei
  • Algen, mossen (groene aanslag)
  • Schimmels (zwarte aanslag)
  • Uitwerpselen van insecten en vogels
  • Uitbloei van zouten (diverse zouten) en cementsluier
  • Combinaties van deze vervuillingen

Onder vervuiling van gevelmaterialen verstaat men de afzetting of indringing van vreemde bestanddelen zoals zout, bitumineuze stofen, rubber, ijzer- en koperdeeltjes, as, roet, zand, korstvorming (gips), algen en mos. Maar ook sputibussenverf, affiches, lijm, etc.

Vervuiling wordt beïnvloed door de volgende factoren: hoeveelheid en soort stof in de atmosfeer, ligging object t.o.v. de windrichting, ligging bouwwerk in de buurt van verkeer, industrie of kust, textuur van het oppervlak, geometrisch vorm van het zichtvlak, architectonische details of natuurlijke bewassing (gelijkmatig of geleid).

LUCHTVERONTREINIGING

We onderscheiden twee groepen  atmosferische vervuilingen: natuurlijk of biologisch vuil, zoals minerale, plantaardige of dierlijke substanties. En vuil dat ontstaat door  niet natuurlijke activiteiten zoals industrie, verkeer, wonen, landbouw en veeteelt.

Fijne stofdeeltjes hebben een grote dekkracht, te weten 0,05 gram/m2. Dat wil zeggen dat slechts een zeer geringe hoeveelheid van dat stof nodig is om een bepaald glad oppervlak te bedekken. Grove stofdeeltjes hebben een geringe dekkracht, namelijk 5 gram stof/m2.

De hechting van de stofdeeltjes wordt bepaald door:

  • zwaartekracht
  • moleculaire krachten
  • elektrische krachten
  • capillaire krachten

Met name capillaire krachten spelen een rol bij vervuiling die moeilijk is los te weken van waterlievende (hydrofiele) ondergronden. Op waterafstotende (hydrofobe) oppervlakken speelt dit aanhechtingsmechanisme een geringere rol.

ALGEN EN MOSSEN

Voedingsbodems voor algen en mossen op gevels zijn gevelmateriaal wat langdurig vochtig is, slechte ventilatie en bomen en planten die te dicht op de gevel staan. Samen met de vervuiling, warmte (uit de ondergrond) en zure regen ontstaan ideale voedingsbodems voor algen en mossen. Deze verzuren vervolgens het oppervlak, waardoor vaak het bindmiddel of de kalkbestanddelen worden opgelost.

MILIEUBELASTING

Het beleid inzake gevelreiniging richt zich o.a. om afvalwaterlozingen tegen te gaan. Waar lozingsvoorschriften in het verleden zich richten op de pH van het afvalwater (tussen de 6,5 en 10), worden nu (soms per gemeente verschillende) eisen gesteld aan de samenstelling van het afvalwater.

Dit heeft er toe geleid dat mobiele waterzuiveringsinstallaties zijn ontwikkeld die ter plaatse het opgevangen afvalwater zuiveren en waarbij het gezuiverde water geloosd of liever opnieuw gebruikt kan worden. De te gebruiken reinigingsmiddelen dienen op deze apparatuur aangepast te zijn om storingen te voorkomen.